verzeggen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·zeg·gen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

verzeggen

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verzeggen
verzegde
verzegd
zwak -d volledig
  1. ditransitief (formeel) beloven om te doen of te geven
  2. overgankelijk niet meer over iets kunnen beschikken omdat het aan iemand beloofd is
  3. overgankelijk als belofte verbreken, er vanaf zien
    • Het gaat om 350 woorden die vijf eeuwen ouder zijn dan het bekende zinnetje ‘Hebban olla vogala...’. Wonderlijke woorden, zoals ‘frifrasagin’: de verloving met een vrouw (fri) verbreken (‘verzeggen’). ‘Andarstrippi’: andermans land (letterlijk: strook). En ‘ferthbero’: een brenger van levensgevaar. [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

52 % van de Nederlanders;
37 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen