verkennen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·ken·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verkennen
verkende
verkend
zwak -d volledig

Werkwoord

verkennen

  1. overgankelijk ter plaatse kennis verwerven van de gesteldheid van iets
     Op picknicktafels werden grote landkaarten uitgevouwen en mogelijke nieuwe routes verkend.[1]
     Als men achter noens dinghen wille so moghen twee ervachtige mannen, of meer, thof verkennen, ende dits de maniere:[2]
     Wie weet inspireert mijn reis hen om later ook de wereld te verkennen.[1]
  2. (militair) een onbekend of vijandelijk gebied observeren om strategische doelen te ontdekken of informatie te verkrijgen om een algemeen beeld van de situatie te krijgen.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. 1,0 1,1 Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  2.   Weblink bron Dits hoe men thof kennelic maect, Oud formulier van de Vlaemsche rechtspleging omtrent het jaer 1300. in: J.F. Willems (red.) Belgisch museum voor de Nederduitsche tael- en letterkunde en de geschiedenis des vaderlands, Eerste deel (1837.), Maatschappij tot Bevordering der Nederduitsche Taal- en Letterkunde, Gent, p. 46 op dbnl.org  
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Nedersaksisch

Werkwoord

verkennen

  1. verkennen


Veluws

Werkwoord

verkennen

  1. verkennen