vangnet

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vang·net
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vangnet vangnetten
verkleinwoord vangnetje vangnetjes

Zelfstandig naamwoord

vangnet o

  1. een net waarin men iemand van grote hoogte kan opvangen zonder dat die persoon ernstig gewond raakt
    • Gelukkig was er een vangnet onder de koorddanser toen hij misstapte en naar beneden viel. 
  2. (figuurlijk) iemand die een ander helpt als er sprake is van een noodsituatie
    • Gelukkig fungeerde oma als vangnet voor de overbelaste jonge moeder. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be