stratosfeer

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stra·to·sfeer
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bovenste deel van de atmosfeer’ voor het eerst aangetroffen in 1914 [1]
  • Samenstelling van strato (van het Latijnse woord stratum (laag)) en sfeer [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord stratosfeer -
verkleinwoord stratosfeertje -

Zelfstandig naamwoord

stratosfeer v / m [3]

  1. (aardrijkskunde) bovenste deel van de atmosfeer (tussen de troposfeer en de mesosfeer)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen