steevast

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stee·vast
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen steevast
verbogen steevaste
partitief steevasts

Bijvoeglijk naamwoord

steevast

  1. vast, onveranderbaar
    • Ze zitten vastgeroest in de steevaste overtuiging dat het ooit nog eens gaat gebeuren. 
    • Het was mijn steevaste voornemen om nooit meer te gaan roken. 
     Als ik vroeger naar een nieuwe plaats verhuisde, bezocht ik steevast alle kerken van de stad.[3]

Bijwoord

steevast

  1. altijd, steeds maar weer
    • Hij komt steevast te laat. 
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen