rusteloos

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rus·te·loos
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van rust met het invoegsel -e- met het achtervoegsel -loos
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen rusteloos rustelozer rusteloost
verbogen rusteloze rustelozere rustelooste
partitief rusteloos rustelozers -

Bijvoeglijk naamwoord

rusteloos

  1. zonder rust
    • De rusteloze patiënt kreeg een rustgevend medicijn. 
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be