• rod·de·len
  • Leenwoord uit het Jiddisch, in de betekenis van ‘kwaadspreken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1865-1870 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
roddelen
roddelde
geroddeld
zwak -d volledig

roddelen

  1. op een vervelende manier over anderen praten
     Ik kon niet meer interrumperen, niet vloeken, niet roddelen of oordelen.[2]
99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]


roddelen

  1. roddelen; op een vervelende manier over anderen praten


roddelen

  1. roddelen; op een vervelende manier over anderen praten