redeloos

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·de·loos
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van rede met het achtervoegsel -loos
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen redeloos redelozer redeloost
verbogen redeloze redelozere redelooste
partitief redeloos redelozers -

Bijvoeglijk naamwoord

redeloos

  1. zonder rede, zonder
    • Het redeloze kind wilde naar niemand meer luisteren. 
  2. niet schappelijk
Synoniemen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be