• pre·mie
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘beloning’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1624 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord premie premies
verkleinwoord premietje premietjes

de premiev

  1. de betaling aan een verzekeringsmaatschappij als tegenprestatie voor het aanhouden van een verzekering
    • De premie was aan het begin van het jaar flink gestegen. 
  2. de geldbonus die betaald wordt als een misdadiger gevangen wordt
    • Er stond een flinke premie op het vinden van de kinderlokker. 
    • Een Russische zakenman heeft een premie van 1 miljoen dollar op het hoofd van de Russische president Vladimir Poetin gezet. Hij deed dat met het verzoek aan Russische militairen om Poetin te arresteren als oorlogsmisdadiger. [2] 
99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]


vervoeging van
premiar

premie

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van premiar
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van premiar
  3. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van premiar