plug-in

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plug-in
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord plug-in plug-ins
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

plug-in m

  1. (informatica) aanvulling op een computerprogramma
    • Door de plug-in te installeren kon ik naar PDF afdrukken. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen