outdoor

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • out·door
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen outdoor
verbogen
partitief outdoors

Bijvoeglijk naamwoord

outdoor

  1. buiten de deur, buitenshuis, buiten
    • Wandelen of fietsen heet tegenwoordig een outdoor activiteit. 
Opmerkingen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen