onderbreking

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·der·bre·king
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord onderbreking onderbrekingen
verkleinwoord onderbrekinkje onderbrekinkjes

Zelfstandig naamwoord

onderbreking v

  1. een tijdelijk staken van activiteit door een onverwachte gebeurtenis
    • Een onderbreking verstoorde de vergadering. 
  2. een kort ophouden van bezigheden als pauze
    • Het toneel herbegon na een korte onderbreking tijdens dewelke velen naar het toilet gingen. 
     Maar deze wekelijkse bezoeken aan de kerk vormden een onderbreking in mijn hectische week en gaven me de gelegenheid om een pauze in te lassen en na te denken over mijn familie en vrienden.[1]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be