• of·schoon

ofschoon

  1. (onderschikkend) drukt een reden uit ondanks dewelke iets beweerd wordt
    • Ofschoon een bescheiden budgetoverschrijding van de investering in de nieuwbouw onvermijdelijk is geweest, zijn de extra investeringen binnen de kaders van de meerjarenbegroting gebleven.[3] 
94 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.[4]