obstakel

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ob·sta·kel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘hinderpaal’ voor het eerst aangetroffen in 1512 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord obstakel obstakels
verkleinwoord obstakeltje obstakeltjes

Zelfstandig naamwoord

obstakel o

  1. iets dat de voortgang van iets anders belemmert
    • Doelbewuste obstakels of hindernissen kunnen bijvoorbeeld zijn een muur, hek, heg, sloot of paal. 
    • School, stelde hij, is het grootste obstakel om te leren [2] 
     Het was alsof ik bij een onverwacht obstakel minder snel ging lopen of ik stopte zelfs helemaal totdat er iemand anders op het pad langskwam.[3]
     Je zult vast obstakels tegenkomen of het eng vinden om daadwerkelijk alleen op reis te gaan, maar dit is met tijd en planning te voorkomen.[3]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen