noordkant

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • noord·kant
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord noordkant noordkanten
verkleinwoord noordkantje noordkantjes

Zelfstandig naamwoord

noordkant m

  1. de kant die in het noorden gelegen is.
    • Aan de noordkant van de stad ligt een groot bos. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie