Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oost·kant
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oostkant oostkanten
verkleinwoord oostkantje oostkantjes

Zelfstandig naamwoord

oostkant m

  1. de kant die in het oosten gelegen is.
    • Aan de oostkant van de stad ligt een groot bos. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be