loonkost

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • loon·kost
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord loonkost (loonkosten) *
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

loonkost m

  1. (economie) het bedrag aan geld dat nodig is voor het uitbetalen van de lonen
    • Vooral voor laaggeschoolden is de kloof tussen loonkost (op minimumloonniveau) en productiviteit hoog. [1]
Synoniemen
Opmerkingen
  • Het meervoud "loonkosten" heeft dezelfde betekenis en is dus voor wat betreft de betekenis niet het meervoud van "loonkost".

Gangbaarheid

65 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen