lesgroep

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • les·groep
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord lesgroep lesgroepen
verkleinwoord lesgroepje lesgroepjes

Zelfstandig naamwoord

lesgroep m/v

  1. (onderwijs) mensen die regelmatig samen onderwijs krijgen, waarbij aanzienlijke onderlinge verschillen in basiskennis kunnen bestaan en het mogelijk is dat er op den duur deelnemers bijkomen of weggaan
    • De Alfa-NT2-groepen op het ROC Ter AA in Helmond hadden, zoals zoveel alfabetiseringsgroepen in het land, deelnemers met zeer uiteenlopende niveaus in één lesgroep. Met een klassikale methode was in deze heterogene groepen niet of nauwelijks efficiënt te werken. [1]

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen