Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • krot
Woordherkomst en -opbouw
  • [1] in de betekenis van ‘vervallen huis’ voor het eerst aangetroffen in 1663 [1] [2] [3]
  • [2] verwijzing naar het productieproces waarin het snoep na bereiding nog 2 maanden ligt te "verkrotten" [4]
enkelvoud meervoud
naamwoord krot krotten
verkleinwoord krotje krotjes

Zelfstandig naamwoord

krot o [5] [6] [7] [8]

  1. oude, slechte, kapotte armoedige woning
  2. (voeding) snoep gemaakt van kandijsiroop, glucose, suiker en boter, streekproduct in Halle
     Wie al eens carnaval viert in Halle zal ongetwijfeld ook al eens een krot geproefd hebben.[4]
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[9]

Verwijzingen