koppelstang


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kop·pel·stang
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord koppelstang koppelstangen
verkleinwoord koppelstangetje koppelstangetjes

Zelfstandig naamwoord

koppelstang v/m [1]

  1. stang waarmee men twee zaken (tijdelijk) aan elkaar vastmaakt
     De koppelstang van het middelste wiel ging langzaam en regelmatig heen en weer en de dik ingepakte, berijpte machinist zwaaide een groet met zijn arm.[2]
     Sinds een jaar heeft Gerlinda een nieuwe handbike. Daar is ze blij mee. „Hij rijdt een stuk harder, terwijl ik niet meer kracht hoef te zetten. Mijn oude fiets was een stuk lastiger aan mijn rolstoel vast te maken. Bovendien zat de koppelstang daar in het midden. Daardoor schaafde ik mijn benen vaak kapot. Mijn nieuwe handbike koppel ik aan de zijkant van mijn rolstoel. Ook het vastmaken zelf gaat een stuk eenvoudiger en sneller.”[3]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Lev Tolstoj (vert. Wils Huisman)  Anna Karenina”   (1877), G.A. van Oorschot  , ISBN 9789028276062
  3.   Weblink bron Gisette van Dalen-Heemskerk “De handbike van Gerlinda van Roekel” (27 april 2012), Reformatorisch Dagblad