klaslokaal

Klaslokaal voor aardrijkskundeles

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klas·lo·kaal
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord klaslokaal klaslokalen
verkleinwoord klaslokaaltje klaslokaaltjes

Zelfstandig naamwoord

klaslokaal o

  1. (onderwijs) een ruimte in een school voor het geven van les aan scholieren
    • Na schooltijd werd het klaslokaal gebruikt voor het geven van bijlessen. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be