kinderkoets


Nederlands

 
[2] kinderkoets
Uitspraak
Woordafbreking
  • kin·der·koets
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kinderkoets kinderkoetsen
verkleinwoord kinderkoetsje kinderkoetsjes

Zelfstandig naamwoord

kinderkoets v/m

  1. kinderwagen
     Mannen verkleed als -een niet altijd even aantrekkelijke- vrouw. Als accessoire hebben ze een kinderkoets. Op dinsdag is de Voil Jeanet duidelijk weer heer en meester van Aalst Carnaval.[1]
  2. (speelgoed) (speelgoed)koets voor kinderen
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Veronique Van Geit “De Voil Jeanetten nemen de stad over” (17/02/2015), De Standaard