Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ju·bel
enkelvoud meervoud
naamwoord jubel -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

jubel m

  1. grote vreugde
    • De jubel over de onverwachte zege was de dag erna nog niet verstomd. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
jubelen

jubel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jubelen
    • Ik jubel. 
  2. gebiedende wijs van jubelen
    • Jubel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jubelen
    • Jubel je? 

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be