Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jij·en
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van jij.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
jijen
jijde
gejijd
zwak -d volledig

Werkwoord

jijen

  1. iemand aanspreken met jij en jou in plaats van met u
    • Ik wind me op over presentatoren die maar jijen en jouen. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

48 % van de Nederlanders;
32 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be