Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ijs·dek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ijsdek ijsdekken
verkleinwoord ijsdekje ijsdekjes

Zelfstandig naamwoord

ijsdek o

  1. een ijslaag die de grond bedekt
    • De provincie Gelderland sluit met ingang van maandag tijdelijk de jacht op wild. Aanleiding is het barre winterweer, aldus de provincie. Door het gesloten sneeuw- en ijsdek kan het wild moeilijk voedsel en water vinden. [1] 
    • Maandag volgt opnieuw sneeuw. De vorst is matig en mogelijk lokaal streng en er vormt zich een klein ijsdekje. [2] 
    • Terwijl Antarctica naar de geografische zuidpool schoof, daalde de temperatuur en ongeveer 15 miljoen jaar geleden vormde zich op zowel het land als de omringende zeeën een ijsdek: het leven verdween. [3] 
    • IJsmeester P. Venema verwacht dat de ijsvloer op het Elfstedentraject bij matige tot strenge vorst elke nacht gemiddeld een centimeter zal aangroeien. Voorwaarde is echter dat neerslag in de vorm van sneeuw uitblijft. Ook harde wind is slecht: die brengt het Friese boezemwater in beweging en als gevolg van de stroming kalft het ijsdek aan de onderkant af. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.[5]


Verwijzingen

  1. Tubantia 25-12-10 Jachtverbod in Gelderland
  2. De Telegraaf 15 jan. 2016 Winter slaat toe!
  3. NRC George Beekman 10 augustus 1995 Oeroud ijs wijst op stabiele Antarctische ijskap
  4. NRC Karin de Mik 3 januari 1996 Friese ijsvloer nog te dun voor 15e Elfstedentocht
  5.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be