hellehond


Nederlands

 
[1] hellehond
 
[1] hellehond van de Lutte
Uitspraak
Woordafbreking
  • hel·le·hond
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hellehond hellehonden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hellehond m

  1. (mythologie) de hond die de hel of de onderwereld bewaakt
    • Schuin boven me roept een uil, ergens in de verte hoor ik angstaanjagend gehuil. Is dat een uit Duitsland overgekomen wolf of de Hellehond uit het naburige De Lutte? Het geruis van de wind door de bladeren wakkert aan. Er is storm op komst. Nevelflarden nemen tussen de bomen steeds andere vormen aan. Ik kan me voorstellen dat ze in vroegere jaren deze mist aanzagen voor witte wieven die met onzichtbare zeisen in de weer waren. [1] 
  2. bijtgrage, agressieve hond
    • Maar knallen hoort erbij, toen en nu. Al heb ik geen enkel begrip voor idioten die vuurwerk gooien naar mensen of dieren. Dan mag een geschrokken Bello zich ontpoppen tot een hellehond die de dader in zijn eigen sterretje bijt. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
72 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tubantia Bert Hellegers 05-01-18 Textielverleden wijst weg naar de stadsprins van Oldenzaal
  2. De Telegraaf 27 dec. 2016 Voetzoekers
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be