heerser

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • heer·ser
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord heerser heersers
verkleinwoord heersertje heersertjes

Zelfstandig naamwoord

heerser m

  1. (politiek) iemand die de macht uitoefent
    • Karel de Grote was de machtigste heerser die Europa in eeuwen gezien had. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be