• har·vest
  • Van het Oudengelse hærfest ("herfst"/"oogst"), wat verwant is met o.a. het Duitse Herbst en het Nederlandse herfst. De gezamenlijke wortel in het PIE is *kerp-. De betekenis is in het Engels geheel overgegaan van het jaargetijde zelf naar "datgene wat in deze periode geoogst wordt".
enkelvoud meervoud
harvest harvests

harvest

  1. (landbouw) oogst
vervoeging
onbepaalde wijs to  harvest 
he/she/it  harvests 
verleden tijd  harvested 
voltooid
deelwoord
 harvested 
onvoltooid
deelwoord
 harvesting 
gebiedende wijs  harvest 

harvest

  1. onovergankelijk, (landbouw) de oogst binnenhalen
  2. overgankelijk, (landbouw) oogsten
  3. overgankelijk, (figuurlijk) binnenhalen, in handen krijgen, verkrijgen, verwerven