Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·kerm
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gekerm
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gekerm o [1]

  1. aanhoudend geweeklaag
    • De wereld heeft een treurig melodietje. Het klinkt zoals de geit in het gedicht van Umberto Saba: Querelarsi ogni altro male, ogni altra vita (Het gekerm over ieder ander kwaad, over ieder ander leven). Het grote verdriet heeft één voordeel. Het is een klein verdriet omdat we met zovelen zijn.[2] 
    • Hij werd rond 20.00 uur wakker van gekerm. Zijn vrouw Manuela lag zwaargewond naast het bed. De hulpdiensten konden haar niet redden. De vrouw vertoonde zware verwondingen over haar hele lichaam.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 10 DECEMBER 2016
  3. Tubantia 27-MAART-2017
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be