douchen

Nederlands

 
douchen
Uitspraak
Woordafbreking
  • dou·chen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
douchen
/ˈduʃə(n)/
douchte
/ˈduʃtə/
gedoucht
/ɣəˈduʃt/
zwak -t volledig

Werkwoord

douchen

  1. inergatief een douche nemen
    • Veel mensen douchen elke ochtend voor het werk. 
     Er was wifi en Donna Saufley bood zelfs aan mijn was te doen. We liepen naar een grote caravan waar je kon douchen.[1]
Hyperoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Nedersaksisch

Werkwoord

douchen

  1. douchen; een douche nemen
Verwante begrippen


Veluws

Werkwoord

douchen

  1. douchen; een douche nemen
Verwante begrippen