demagoog

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·ma·goog
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘volksmenner’ voor het eerst aangetroffen in 1796 [1]
  • met het voorvoegsel demo- en met het achtervoegsel -goog [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord demagoog demagogen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

demagoog m [3]

  1. (politiek) iemand die demagogie bedrijft, een volksmenner
    • de demagoog bij uitstek in de twintigste eeuw was wel Adolf Hitler 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen