conjugaal


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·ju·gaal
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Frans [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen conjugaal conjugaler conjugaalst
verbogen conjugale conjugalere conjugaalste
partitief conjugaals conjugalers -

Bijvoeglijk naamwoord

conjugaal [2]

  1. betrekking hebbend op het huwelijk
    • Ik hoor er ook nog iets anders in dat mij bij Bellman zo dierbaar is, en dat is de liefde, de aandacht voor vrouwen. Dat is ook wat mij ontroert in het onderwerp van dit Epistel: de conjugale liefde, de tederheid voor de vrouw van die dode ruziemaker L¨ofberg: 'din maka' (jouw wederhelft) - nu is ook zij dood, je kunt er alleen nog maar op terugkijken, vanuit je graf in het gras. Voorbij, voorbij. Hartverscheurend. [3] 
    • Conjugaal † Conjugaal, bn. echtelijk. *...GATIE, v. (...ën), (taalk.) vervoeging (der werkwoorden). *...GEREN, bw. gel. (ik conjugeerde, heb geconjugeerd), vervoegen. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

53 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen