congres

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·gres
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘samenkomst’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1552 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord congres congressen
verkleinwoord congresje congresjes

Zelfstandig naamwoord

congres o

  1. een grote vergadering van deskundigen op een bepaald vakgebied
    • Het congres vindt plaats op zaterdag 13 november 2012. 
  2. bijeenkomst met lezingen
  3. bijeenkomst van leden van een politieke partij
  4. bijeenkomst van een organisatie
     In Maastricht, bij het jaarlijkse congres tijdens de WK wielrennen, heeft de UCI een motie aangenomen om "pogingen om de pijnlijke aspecten van de wielergeschiedenis te exploiteren" te negeren.[2]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen