stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
concretiseren
concretiseerde
geconcretiseerd
zwak -d volledig
  • con·cre·ti·se·ren

concretiseren

  1. overgankelijk (m.b.t. een gegeven) concreet maken
    • Een mens getekend door een jong kind is niet veel meer dan twee rondjes en 4 lijnen (voor de ledematen). Dikte geven aan de ledematen en handen en voeten tekenen concretiseren de betekenis van de tekening . 
     Op het moment dat ze op haar hurken ging zitten om haar plannen te concretiseren, verscheen er nog een lichtbron in de kamer.[1]
95 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[2]