bovenarm

Nederlands

 
spieren van de linker bovenarm
Uitspraak
Woordafbreking
  • bo·ven·arm
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bovenarm bovenarmen
verkleinwoord bovenarmpje bovenarmpjes

Zelfstandig naamwoord

bovenarm m

  1. (anatomie) het bovenste gedeelte van de arm tussen de schouder en de elleboog
     Een moeder voor me trok woedend aan de bovenarm van haar kind, een stel maakte ruzie over het menu en een getatoeëerde man stond luid te bellen.[1]
     Ze pakte Chantal zachtjes bij haar bovenarmen en trok haar naar zich toe.[2]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  2. Suzanne Vermeer  All-inclusive”   (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be