Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bluf
enkelvoud meervoud
naamwoord bluf -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bluf m

  1. poging iemand in de waan te brengen dat men iets achter de hand heeft; uiting bedoeld om het te doen overkomen alsof men tot meer in staat is of sterker staat dan het geval is
    • Het is allemaal bluf. 
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bluffen

bluf

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bluffen
    • Ik bluf. 
  2. gebiedende wijs van bluffen
    • Bluf! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bluffen
    • Bluf je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be