bespeuren

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·speu·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bespeuren
bespeurde
bespeurd
zwak -d volledig

Werkwoord

bespeuren

  1. overgankelijk met aanzienlijke moeite waarnemen, bemerken
    • Hij bespeurde daarin een poging de boel op te lichten. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be