• be·oos·ten

beoosten [1]

  1. aan de oostelijke zijde van
    • Zo werd in 1815 begonnen met de aanleg van een aantal aarden verdedigingswerken beoosten Utrecht. [2]
27 % van de Nederlanders;
26 % van de Vlamingen.[3]


beoosten (met datief)

  1. ten oosten van