benauwen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·nau·wen
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van nauw met het voorvoegsel be- en met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
benauwen
benauwde
benauwd
zwak -d volledig

Werkwoord

benauwen

  1. overgankelijk zorgen bereiden
    • Hij werd benauwd door een schier onoverkomelijke schuldenlast. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be