barhouder

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bar·hou·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord barhouder barhouders
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

barhouder m

  1. (beroep) (horeca) iemand die een café exploiteert
     De enige tevreden gezichten op Malpensa waren die van de barhouders. Door de grote vertragingen draaiden die gisteren uitstekend. Zo goed dat een aantal bars door zijn voorraad heen was.[2]
     Telefonisch geraadpleegde experts adviseerden daarna de boeken meteen te bevriezen. Een plaatselijke barhouder heeft alle ijsjes uit zijn vrieskist gehaald om plaats te maken voor de boeken.[3]
Synoniemen

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2.   Weblink bron Marc Leijendekker “Chaos Malpensa valt met geen pen te beschrijven” (26 oktober 1998) op nrc.nl
  3.   Weblink bron Marc Leijendekker “Reddingspoging voor bibliotheek Pavese” (15 november 1994) op nrc.nl