attribuut

1. Petrus met sleutel als attribuut


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • at·tri·buut
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord attribuut attributen
verkleinwoord attribuutje attribuutjes

Zelfstandig naamwoord

attribuut o

  1. voorwerp, behorend bij iets anders
    • Wielerschoenen, een fietshelm en handschoentjes zijn belangrijke attributen voor het wielrennen. 
    • De heiligen die zijn afgebeeld in heiligebeelden zijn te herkennen aan hun attributen. Zo kun je Petrus herkennen aan de sleutels. 
     Terwijl haar blik heen en weer schoot, bedekten de vingers van haar linkerhand het plastic bandje om haar pols. Het verplichte attribuut van Hotel Luxor was hier ongepast.[2]
  2. (taalkunde) bijvoeglijke bepaling, een woord of woordengroep die wat zegt over een zelfstandig naamwoord.
    • De vet gedrukte woorden zijn een duidelijk en helder attribuut. 
  3. rekwisiet
  4. (informatica) tot het wezen (de entiteit) behorende eigenschap
    • de attributen 'naam', 'adres', en 'woonplaats' werden opgeslagen bij de entiteit 'klant' 
Hyponiemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen