afketsen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·ket·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afketsen
ketste af
afgeketst
zwak -t volledig

Werkwoord

afketsen

  1. een voorstel verwerpen
  2. ergatief afstuiten, ergens tegenaan botsen en van richting veranderen
  3. ergatief terugstuiten
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be