aankondigen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·kon·di·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aankondigen
kondigde aan
aangekondigd
zwak -d volledig

Werkwoord

aankondigen [1]

  1. overgankelijk bekendmaken, verklaren
    • Feitelijk gezien zal de voorzitter dan bij aanvang van de vergadering het extra agendapunt aankondigen. 
     Ook hadden ze in hun kamer een folder ontvangen waarin het spektakel werd aangekondigd.[2]
     De Britse premier Boris Johnson heeft donderdag aangekondigd op te stappen. Hij blijft voorlopig de taken van premier uitvoeren, totdat er een opvolger bekend is. Johnson lag al geruime tijd onder vuur vanwege een reeks schandalen, zoals het bijwonen van feestjes in coronalockdowns. Het vertrek van een aantal prominente ministers de afgelopen dagen blijkt de druppel te zijn geweest.[3]
  2. overgankelijk voorspellen
    • Vermoeidheid kan een hartaanval aankondigen. 
     Lol, in plaats van zwemvliezen die de grootste tragedie van haar leven aankondigden.[2]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. 2,0 2,1 Suzanne Vermeer  All-inclusive”   (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  3.   Weblink bron “Britse premier Johnson stapt op, maar blijft zitten tot opvolger bekend is” (onderdag 07 juli 2022), NU.nl
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be