Afrikaan

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • Afri·kaan
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord Afrikaan Afrikanen
verkleinwoord Afrikaantje Afrikaantjes

Zelfstandig naamwoord

Afrikaan m

  1. (demoniem) bewoner van Afrika of iemand die uit Afrika afkomstig is
    • Mensen die in Afrika wonen, heten Afrikanen. 
  2. (volkenkunde) (spreektaal) persoon met een afkomst uit Afrika bezuiden de Sahara, met donkere huidskleur
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid