Gewijzigd op 19 apr 2014 om 19:50

ijs

[1] Een blokje ijs.
[2] Een ijsje.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ijs
enkelvoud meervoud
naamwoord ijs -
verkleinwoord ijsje [2] -

Zelfstandig naamwoord

ijs o

  1. de vaste vorm van water, bevroren water
    Water wordt op 0° Celsius ijs.
  2. een lekkernij die in bevroren toestand wordt gegeten
    IJs is een geliefd verfrissingsmiddel tijdens warme zomers.
Gelijkklinkende woorden
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Niet over één nacht(s) ijs gaan/men gaat niet over ijs van één nacht
Een voorzichtige aanpak hanteren. Niet overhaast handelen.
  • Beslagen ten ijs komen.
Goed voorbereid zijn
Overerving en ontlening
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
ijzen

ijs

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ijzen
    Ik ijs.
  2. gebiedende wijs van ijzen
    IJs!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ijzen
    IJs je?