zwemles

Een zwemles.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwem·les
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zwemles zwemlessen
verkleinwoord zwemlesje zwemlesjes

Zelfstandig naamwoord

zwemles v/m

  1. (sport), (onderwijs) gelegenheid waarbij iemand beroepsmatig anderen leert zwemmen
    • De zwemles begon om drie uur 's middags. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be