zeevrucht

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zee·vrucht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zeevrucht zeevruchten
verkleinwoord zeevruchtje zeevruchtjes

Zelfstandig naamwoord

zeevrucht v / m

  1. (voeding) iets eetbaars uit de zee
    • Zijn restaurant heeft veel zeevruchten op het menu, niet alleen vis maar ook mosselen en oesters. 
     Van het zee-egelgerecht begrijpen we niet veel: drie schalen met priknaalden waarin noedels, grapefruit, wat groen en, inderdaad, zee-egel moeten doorgaan voor een soort salade. Mijn tafelgenote vindt het ronduit vies. Inderdaad vormen het fris-bitter van de grapefruit en het aards-bitter van de zeevrucht geen gelukkige combinatie.[1]
      Onze chroniekschrijvers van vroegere dagen, hoe opgesmukt hunne verhalen dan ook zijn mogen, getuigen het allen, dat in de 17de eeuw bijna geen tak van nijverheid in Holland zoozeer bloeide als de haringvisscherij. (…) Plegtig en feestelijk ontving dan het jubelende volk de heilaanbrengende zeevrucht, door vernuftige bereiding met onschatbare waarde verhoogd, en verzond haar heinde en ver naar alle landen van Europa, die alsdan op hunne beurt onze markten ruimschoots van hunne producten voorzagen, en zoodoende Holland's welvaart aanmerkelijk uitbreidden.[2]

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Frank van Dijl “Bij Vandal is ‘sharen’ het hele eieren eten” (17 mei 2019) op nrc.nl
  2.   Weblink bron J.T. Buys De Haringvisscherij. (oktober 1851) in: De Gids., jrg. 15 deel 2 nr. 11 (november 1851), P.N. van Kampen, Amsterdam, p. 524 op Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren  
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be