1. graan zuiveren van kaf door het in de wind op te werpen
  • wan·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wannen
wande
gewand
zwak -d volledig

wannen

  1. overgankelijk graan zuiveren van kaf door het in de wind op te werpen of te laten vallen
    • Zij wannen het graan nog op ouderwetse wijze. 

de wannenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord wan
22 % van de Nederlanders;
23 % van de Vlamingen.[2]