vindelig


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vin·de·lig
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van vin met het achtervoegsel -ig
stellend
onverbogen vindelig
verbogen vindelige
partitief vindeligs

Bijvoeglijk naamwoord

vindelig [1]

  1. (plantkunde) van bladeren dat de insnijdingen lopen tot aan de middennerf

Gangbaarheid

11 % van de Nederlanders;
16 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen