• vil·le
vervoeging van
villen

ville

  1. aanvoegende wijs van villen


  • vil·le
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord vilja.
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ville
vil
ville
villet
volledig

ville

  1. overgankelijk willen
  2. overgankelijk mogen
  3. hulpwerkwoord zullen (hulpwerkwoord met een infinitief voor de toekomende tijd)
  4. hulpwerkwoord zullen (hulpwerkwoord voor de aanvoegende wijs)

ville

  1. verleden tijd van ville


enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  ville     la ville     villes     les villes  

ville v

  1. stad
    «Nous habitons la ville de Montpellier.»
    Wij wonen in de stad Montpellier.
    «Samedi prochain, je vais à la ville pour acheter des vêtements.»
    Volgende zaterdag ga ik naar de stad om kleren te kopen.


  • vil·le
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord vilja.
Naar frequentie 59
vervoeging
onbepaalde wijs ville
tegenwoordige tijd vil
verleden tijd ville
voltooid
deelwoord
villet
onvoltooid
deelwoord
villende
lijdende vorm villes
gebiedende wijs -
vervoegingsklasse onregelmatig
opmerking

ville

  1. overgankelijk willen
  2. overgankelijk mogen
  3. hulpwerkwoord, modaal werkwoord zullen (hulpwerkwoord met een infinitief voor de toekomende tijd)
  4. hulpwerkwoord, modaal werkwoord zullen (hulpwerkwoord voor de aanvoegende wijs)

ville

  1. verleden tijd van ville